ruisvenster
langs de rand van mijn bed
1984, ik ben twaalf jaar oud. We rijden met de verhuiswagen in ons kielzog naar Brabant, het land van gezelligheid. We zijn nog niet gestopt of onze toekomstige buurvrouw stelt zich voor. Binnen twee minuten weten we dat het alleen bij Joop, haar enige kind zal blijven. Na drie minuten blijkt dat onze buurvrouw een gigantische vleesboom bezit die haar katholieke droom van een kinderrijk gezin in vlammen heeft doen opgaan. En na tien minuten kennen we alle in en outs van de wildgroei in de baarmoeder. Mijn ouders staan aan de grond genageld. Mijn tere puberale ziel, met zijn net gespannen seksuele veer, is geknakt en zeker jaren van slag. Want elke keer als ik mezelf wil aftrekken doemen de beelden van buurvrouw's vleesboom op. Ik krijg angstdromen. Mijn slaapkamer grenst aan de slaapkamer van onze buurvrouw. Uitlopers van de vleesboom zullen 's nachts door de dunne muur kruipen om mijn jonge lid in een verstikkende greep te krijgen. Ik slaap met mijn handen op mijn pik. Bang dat mijn genot of geilheid, of hoe dat dan ook maar mag heten, me ontnomen wordt. Eind 1984, bijna dertien jaar. Mijn lul loopt gevaar maar tegen wie zeg je dat?
(Dit verhaal maakt deel uit van de cyclus 'Langs de randen van mijn jeugd' en verscheen eerder onder de titel 'Twee-onder-een-kap' in de publicatie Compleet Nu - een uitgave van Leesbaar Nederland in 2004)