vinex
kamer
HOME  prof. dr. Wim Derksen, directeur Ruimtelijk Planbureau
tekst naar aanleiding van de opening van Bert van Ommens Kunstuileen in 7x11
28 februari 2005



De Haagse artotheek heeft een dependance in Ypenburg, de nieuwe Vinexloot aan Den Haag. Voor een recente expositie over de architectuur van Ypenburg mocht ik de opening verzorgen. Ik ontkwam er niet aan om mijn mening over 'Vinex' te geven. Laat vooraf duidelijk zijn dat 'Vinex', zoals we weten, voor veel meer staat dan waarvoor het algemeen wordt versleten: de grootschalige uitleglocaties rondom de grote steden (Leidsche Rijn, Ypenburg, Leidscheveen, Yburg). De meningen over Vinex hebben echter bijna altijd betrekking op deze opvallende nieuwbouwlocaties. Aangezien ik in Ypenburg was, heb ik me maar aan deze algemene neiging geconformeerd.

Het is bekend dat de Vinex-wijken tot op heden weinig bewondering hebben mogen oogsten, met name in de vakkringen. Onder kenners wordt niet zelden met veel dédain over Vinex-wijken gesproken. De projectontwikkelaars, vanzelfsprekend niet gediend van een negatief imago van de woningen die ze nog moeten verkopen, brengen daar graag tegenin dat de bewoners in de Vinex-wijken over het algemeen erg tevreden zijn. Frank van Dam heeft onlangs al aangetoond dat die laatste stelling nuancering behoeft. Bewoners van Vinex-wijken zijn bepaald niet ontevreden met hun nieuwe woning, maar bewoners van andere nieuwe wijken blijken over het algemeen beduidend positiever. Ook is de verhuisgeneigdheid onder Vinex-bewoners opvallend hoger.

Dat mag allemaal zo zijn, maar daarmee hebben we nog geen gefundeerd oordeel over Ypenburg en de andere grotere Vinex-wijken gegeven. Daarvoor is het goed om Vinex in historisch perspectief te plaatsen. Ik heb dan al gauw de neiging om een vergelijk te maken met het wijkje waarin ik zelf sedert een tiental jaren woon, de Nassaubuurt in Den Haag. Deze wijk is ontstaan aan het einde van de 19e eeuw. De rol van de gemeente was beperkt: de gemeente tekende het stratenpatroon, gaf aan hoe groot de kavels waren en hoe hoog de woningen (ongeveer) moesten zijn (in verband met de belangrijke verhouding tussen de breedte van de weg en de hoogte van de bebouwing voor het te bereiken gevoel van geborgenheid). Voor de rest mocht elke timmerman (wat we tegenwoordig projectontwikkelaar noemen) zijn gang gaan. De ene timmerman kocht één kavel en bouwde een mooi huis, de andere kocht een paar kavels en bouwde een klein ensemble van fraaie huizen. Er ontstond een prachtige wijk, die momenteel zeer in trek is. Veel variëteit in woningen en toch een duidelijk geheel met stedelijke allure.

De schaduwzijde is bekend. Alleen de rijken konden hier een mooie woning verwerven, de arbeiders moesten het doen met de woonkazernes in de Schilderswijk, in Transvaal en vergelijkbare wijken. De reactie kon na de Tweede Wereldoorlog dan ook niet uitblijven. De overheid verstevigde zijn greep op de nieuwbouw buitenproportioneel. Een coalitie van architecten en niet zelden socialistische wethouders ging bouwen voor de arbeidersklasse. Daarbij werd geen arbeider gevraagd wat hij wenste. De overheid wist wat goed voor hem was: licht, lucht en ruimte en vooral een eigen douchebak. Uniforme wijken zoals Den Haag Zuidwest (maar alle steden kennen ze) waren het gevolg. Er werd een enorme sprong voorwaarts gemaakt in wat toen nog heette de volkshuisvesting. Velen zijn de overheid voor deze beleidswijziging terecht dankbaar geweest.

Maar ook die tijd ligt al weer ver achter ons. De welvaart is enorm toegenomen, en dat geldt ook voor de mondigheid van de burger. Burgers willen zelf bepalen waar ze gaan wonen en veel burgers zijn ook financieel in staat om daaraan gestalte te geven. Alleen werkt de overheid nog niet altijd mee. Die heeft langzaam moeten wennen aan de gedachte dat alles wat in de jaren vijftig 'was goedgedaan', steeds minder passend was. Zo kregen de Vinex-wijken meestal een wat ambivalent karakter. De overheid koos voor (enkele) grootschalige locaties terwijl de burger veel meer op zoek was naar een plek met een eigen identiteit. De overheid koos voor 'groene wijken' die gaandeweg steeds dichter bevolkt raakten, omdat met elke bezuiniging het aantal woningen per hectare toenam, terwijl de burger echt 'groen' wilde wonen, of echt 'stedelijk' en niet de tussenvorm die vooral werd geboden.

Ook in andere opzichten zijn de Vinex-wijken nogal ambivalent. De eenvormigheid en eentonigheid van de wederopbouwwijken moest worden vermeden, met name omdat bewoners daarvan minder waren gediend. Zo is een wijk als Ypenburg een amalgaam van stijlen, omdat elke twee straten hun eigen architect hebben gekregen. Tegelijkertijd is deze bedachte pluriformiteit niet alleen vreselijke vermoeiend, maar in essentie niet minder uniform dan de wederopbouwwijken van vlak na de oorlog. De uniformiteit wordt nog eens versterkt door het tempo waarmee deze wijken uit de grond worden gestampt. Het algemene beeld: de wijken zijn toch nog te veel bedacht voor de bewoners en te weinig door de bewoners. Dit geldt niet alleen voor het woonmilieu dat wordt aangeboden, maar ook voor de geplande 'eigenheid' van de straten. Het eindresultaat is eenvormigheid, waar juist het tegendeel lijkt te worden gesuggereerd. En waar de Vinex-wijken de steden zouden moeten versterken en het platteland van verdere verrommeling zouden moeten vrijwaren, hebben ze vooral het karakter van 'tussenland' gekregen: geen stad en geen land.

Mijn ambivalente gevoelens over Vinex-wijken, ik druk me zacht uit, hebben dus vooral iets te maken met de ambivalentie van de Vinex-wijken zelf. In veel opzichten is het vlees nog vis. Het is geen Nassaubuurt, het is geen Den Haag Zuidwest. Ik wil niet ontkennen dat de Vinex-wijken in andere opzichten wel aansluiten bij de tegenwoordige tijd. Wie de eenvormigheid ziet van de commerciële en populaire televisieprogramma's hoeft niet verbaasd te zijn als ook nieuwbouwwijken eigenheid en karakter missen. Vrolijke eenvormigheid lijkt ook elders vaak de norm. Dit betekent niet dat we niet zouden kunnen leren van het historische perspectief. Waar aan het einde van de 19e eeuw en in het begin van de 20e eeuw de welvaart ontbrak om wijken te bouwen op de manier zoals dat in de Nassaubuurt is gebeurd, is die welvaart momenteel wel aanwezig. Waarom zouden we niet meer streven naar nieuwbouw die zich schikt naar enkele door de overheid aangegeven stedebouwkundige principes, maar voor het overige geheel aansluit bij de voorkeuren van de bewoner? Dit betekent dat de mogelijkheden van organische groei ook veel meer kunnen worden benut. Niet alles tegelijk, maar wel alles volgens enkele heldere patronen. Zoals de Zwitserse architect Herzog het onlangs nog eens fraai verwoordde: "Als je door een stad loopt zou je instinctmatig het Centraal Station moeten kunnen vinden. Architectuur moet in dat opzicht zijn als de natuur, een organische hiërarchie waar je zelf de weg kunt vinden." Het is aan de overheid om die hiërarchie te ondersteunen, het is aan de burgers om daarbinnen naar eigen voorkeur een woning te bouwen.